Overbluft

Ik stel een cliënt voor om een dagje in zijn eigen woning te zijn, om te ontdekken waar hij tegenaan loopt. Vervolgens komt de volgende keer zijn moeder mee! Hij geeft aan dat hij zich heeft moeten verdedigen bij zijn moeder, omdat het volgens mij een goede leerzame ervaring voor hem zou zijn als hij in de thuissituatie tegen zijn grenzen zou aan lopen!

Vervolgens zegt moeder: ‘Maar mijn zoon houdt wel goed zijn grenzen in de gaten.’ Ook wanneer zoon naar zijn moeder kijkt en lacht terwijl hij een antwoord op mijn vraag geeft, zorgt dat voor een vervelend gevoel. Het allergisch zijn voor ’onder onsjes’. Het niet serieus genomen worden.

 Allereerst ben ik verbaasd, dan komt bij me op: dat ik dat niet bemerkt heb. Ik ga verdedigen en ben op mijn hoede, en heb voor mijn gevoel de regie niet meer. Ik wil me niet verdedigen. Ik wil meer ontspannen reageren en niet gevoelsmatig de regie kwijt zijn. Ik wil de rol van moeder positiever zien.

 Ik laat dat niet merken, ga gewoon door, maar zit niet meer in mijn kracht. Ik baal van moeder, van de situatie en ben gespannen. Zoon is volgens mij ook niet zichzelf, onrustig maar wel gesteund. Ik denk dat ze denken: hoe zal ze zich redden, ze zal ons niet raken.

Ik voel me erg ongemakkelijk, ik denk dat moeder zich zeker voelt en dat zoon zich gesteund voelt. Met die gevoelens doe ik niets. Ik vraag aan zoon waardoor hij in het vorige gesprek dat gevoel opliep van mij te ‘moeten’. Hij geeft daar geen direct antwoord op, we bespreken met zijn drieën wat het aandeel kan zijn van een ieder in deze communicatie: ook dat van mij (enthousiast, gedreven) en dat van hem (hoge eisen, het goed willen doen). En moeder bevestigt!

Ik wil leren om in mijn kracht te blijven als ik me niet serieus genomen voel, bijvoorbeeld in situaties waarin mensen samen een bondje aangaan en mij buiten lijken te sluiten.

Coping cliënt

De cliënt gedraagt zich anders wanneer zijn moeder aanwezig is bij het gesprek met deze ergotherapeut. Loyaliteitsconflict?

  • Cognitie. De cliënt neemt geen verantwoordelijkheid voor de afspraken die hij met de professional heeft gemaakt en ‘beschuldigt’ de professional van pressie.
  • Emotie. De cliënt voelt zich onzeker en onrustig, en ervaart steun van zijn moeder.
  • Gedrag. Hij onderhoudt het contact met zijn moeder en weert het contact met de professional enigszins af. Dit doet hij door naar zijn moeder te lachen als hij de professional antwoordt, door geen direct antwoord te geven op vragen van de professional en door afspraken om te vormen tot opgelegde eisen.

Coping professional

De cliënt gedraagt zich onverwachts anders en neemt geen verantwoordelijkheid voor de gemaakte afspraken.

  • Cognitie. De professional verliest de controle over de situatie en kan niet meer helder denken. Ze krijgt benauwde gedachten en dreigt cognitief te ontregelen op het moment dat ze verstrikt raakt in gedachten over wat anderen mogelijk denken.
  • Emotie. De professional heeft argwanende en angstige gevoelens. Ze is erg alert op de uitingen van de cliënt en zijn moeder, wat doet vermoeden dat ze zich onveilig voelt. Ze voelt zich buitengesloten door moeder en zoon. Mogelijk was de blik van verstandhouding tussen hen beiden de trigger van deze licht ontregelde coping bij de professional.
  • Gedrag. De professional raakt gespannen, verdedigt zich, herneemt zich en probeert aansluiting te vinden bij de cliënt en zijn moeder. Zij is echter voor een groot deel nog gepreoccupeerd met zichzelf.

Suggesties voor alternatieve benaderingen

  •  Aansluiten bij het cognitieve element. De professional neemt de leiding van het gesprek en zegt tegen beiden: ‘Wat goed dat jullie er nu allebei zijn. Hoe zullen we onze tijd benutten?’ De professional kijkt naar de zoon en zegt: ‘We kunnen samen terugkijken hoe het gesprek de vorige keer is verlopen en we kunnen op een rijtje zetten wat er de komende tijd gedaan kan worden.’ Tegen de zoon: ‘wat wil jij graag?’, en tegen de moeder: ‘bent u het daarmee eens?’
  • Aansluiten bij het emotionele element. De professional zegt met empathie tegen de zoon: ‘Jeetje, dat is ook wat, ik heb niet gemerkt dat ik in dat vorige gesprek zo dwingend op je overkwam, dat zal niet gemakkelijk voor je zijn geweest? Heb je daarom nu je moeder meegenomen, om te kijken of een gesprek met z’n drieën wat meer bij jouw gevoel aansluit?’
  • Aansluiten bij het gedragsmatige element. Als de zoon naar zijn moeder lacht, lacht de professional mee en zegt luchtig tegen hem: ‘O, zo heb je ons gesprek van de vorige keer voor je moeder samengevat. Mooi is dat.’ Vervolgens kijkt de professional naar de moeder en zegt: ‘Wat dacht u wel niet van mij toen u dat hoorde?’


Copen met coping: Dichtbij en toch veraf 

Emotionele distantie van de professional is essentieel in het omgaan met de coping van een cliënt. Maar het is niet altijd eenvoudig om die distantie te behouden. Professionals zijn ook gewone mensen, met behoeftes, verlangens en zwakke plekken. Professionals zijn er voor hun cliënten: zij stellen zich open voor hen en ze staan klaar om te luisteren en goede raad te geven. Cliënten kunnen dit niet altijd aan: zij kunnen weerstand vertonen en bijvoorbeeld afhoudend reageren of zich niet aan gemaakte afspraken houden, afspraken ontkennen, of uitspraken verdraaien. Dit soort afweer kan professionals onzeker of boos maken, en het kan worden ervaren als een afwijzing. Als deze gevoelens invloed hebben op de therapeutische interventies, is de professional emotioneel te betrokken geraakt bij haar cliënt. De aangedane professional kan zich hernemen door tijdens het gesprek heel bewust haar kennis in te zetten om het contact toch professioneel te houden.

Wanneer de professional sporadisch emotioneel te betrokken raakt, kan zelfreflectie of een intervisie-gesprek volstaan om te beseffen wat er gebeurt. Wanneer het herhaaldelijk gebeurt, kan supervisie een goede manier zijn om te achterhalen welk emotioneel thema bij de professional aanleiding is.

Een professional die niet emotioneel betrokken is geraakt bij haar cliënt, neemt diens gedrag wel waar, maar betrekt het niet op zichzelf. Ze duidt het gedrag als weerstand en ze exploreert of het gedrag bij de cliënt zelf ligt of in het contact met haar ontstaat, doordat ze bijvoorbeeld onvoldoende aansluit bij de cliënt of interventies doet die te confronterend voor hem zijn.

Een professional kan heel dicht bij haar cliënt komen, maar haar eigen pijnlijke gevoelens houdt zij buiten de relatie met haar cliënt. Deze gevoelens hoeven daarvoor niet verdrongen te worden. Ze mogen er gewoon zijn in het bewustzijn van de professional, maar ze hebben geen invloed op de interventies die zij doet. Als er voldoende emotionele distantie is, leidt dat vanzelf tot minder gevoelens bij de professional.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.