Moeilijke onderwerpen zijn nooit makkelijk

Cliënte is 55 jaar, zij heeft sinds een jaar of vier chronisch Quillain-Barré en zij is bij mij bekend van een eerdere revalidatieperiode, vier jaar geleden. Zij geeft elke week aan dat het ’almaar slechter’ met haar gaat, terwijl objectief haar situatie fysiek-motorisch redelijk stabiel is. De meest opvallende verslechtering volgens de anamnese is dat cliënte steeds moe is en dat deze vermoeidheid sterker is dan voorheen.

Op een dag komt cliënte binnen en vertelt dat het almaar slechter met haar gaat en dat ze bijna niet was gekomen omdat ze dood- en doodmoe is. Ik vraag wat ze de afgelopen dag(en) heeft gedaan waardoor ze zo moe is en besluit aan de hand hiervan mijn gedachten over haar eigen rol in de ervaren verslechtering aan de orde te stellen. (Mijns inziens wordt de toenemende vermoeidheid deels door cliënte zelf in de hand gewerkt door haar gedrag, meer specifiek door haar onregelmatige en ongestructureerde leefwijze.)

Als ik haar eigen aandeel in de vermoeidheid benoem, raakt zij ondanks mijn goede contact met haar geïrriteerd. Ze zegt: ‘jullie hebben gemakkelijk praten’, en: ‘jij zegt dat ik veel doe, maar ik doe bijna niks’. Vervolgens licht ze toe wat ze bedoelt. Ik schrik een beetje van haar reactie en voel dat ik met haar te doen heb. Ik denk bij mezelf dat ik misschien toch wat te kort door de bocht ben geweest. Te veel ouwe-jongens-krentenbrood omdat ik cliënte al lang ken en we er een joviale vorm van communicatie op na houden.

Ik probeer het nog eens op een meer empatische manier, met meer inleving, respect en gevoel voor cliënte. Ik geef cliënte meer ruimte om zelf haar gedachten te laten gaan over de relatie tussen de enorme vermoeidheid en haar gedrag. Cliënte zwakt haar woorden af. Ze begrijpt ook wel dat ’jullie het goed bedoelen’, maar ’zij zit er maar mee’. Als vanzelf gaat ze vervolgens inhoudelijk in op het onderwerp dat ik heb aangesneden.

Ik wil graag aansluiten bij de belevingswereld van mijn cliënten.

Coping cliënte

De cliënte lijkt vooral boos over haar beperkte belastbaarheid. Zij is in verzet en wil er geen rekening mee houden. Er lijkt ook sprake te zijn van depressieve gevoelens en van gemaskeerde gevoelens van leegte: ‘dood- en doodmoe’.

  • Cognitie. De cliënte heeft catastroferende gedachten over haar fysieke functioneren. Deze gedachten kloppen niet met de realiteit. Zij vermijdt gedachten over haar eigen rol in haar vermoeidheid.
  • Emotie. De cliënte geeft uiting aan haar moeheid, en haar moedeloosheid klinkt daar sterk doorheen: ’Ik zit er maar mee.’ Ook in haar verwijtende toon klinkt haar wanhoop door, maar ze legt deze gevoelens niet bloot. Ze negeert de signalen van emotionele uitputting.
  • Gedrag. De cliënte stelt geen orde op zaken en komt niet tot een bij haar ziekte passende leefwijze. Mogelijk is haar extreme vermoeidheid een somatische uiting van een psychische oorzaak. Mogelijk handelt de cliënte willekeurig, door haar onregelmatige en ongestructureerde leefwijze, omdat ze de controle kwijt is.

Coping professional

De professional staat voor de paradoxale situatie dat zij graag bij de cliënte wil aansluiten en tegelijk een uitgesproken visie heeft die confronterend is.

  • Cognitie. De professional is het probleem op professionele wijze aangegaan. Ze heeft met zelfvertrouwen haar visie overgebracht, en ze heeft zich daarna gerealiseerd dat ze onvoldoende afstand had om het effect van deze interventie te voorzien. Ze heeft zichzelf hernomen.
  • Emotie. De professional stapt onbevangen in de situatie, ze voelt zich vrij en ontspannen bij deze cliënte. Ze is afgeleid door hun joviale contact en zich onvoldoende bewust van de onderliggende spanningen bij de cliënte.
  • Gedrag. Aanvankelijk zet de professional de relatie op de oude voet voort, terwijl ze toch iets nieuws inbrengt. Ze handelt op de automatische piloot. Ze schrikt en herneemt zich als de cliënte op een onverwachte manier reageert. De professional is flexibel en experimenteert met nieuw gedrag.

Suggesties voor alternatieve benaderingen.

  • Aansluiten bij het cognitieve element. De professional herneemt zich in deze casus op succesvolle wijze, ze vindt de aansluiting met haar cliënt terug. Ze was deze aansluiting mogelijk al bij de eerste vraag kwijtgeraakt: ‘Wat heb je gedaan dat je zo moe bent?’ Deze vraag suggereert al een verband tussen het activiteitenniveau van de cliënte en haar moeheid, terwijl cliënte zich juist verzet tegen het idee dat zo’n verband er is. Een confronterende vraag, dus, die de kiem gelegd kan hebben voor de weerstand die er even later vol uitkomt. Open vragen zijn wat dit betreft het veiligst: ’Heb je enig idee waar die moeheid vandaan komt?’ De professional vraagt dan naar de cognities die de cliënte zelf heeft over haar situatie. Wanneer de professional goed luistert naar het antwoord en vooral naar de emotionele lading hiervan, kan zij vervolgens aansluiten bij het emotionele element door het geven van gevoelsreflecties. Bijvoorbeeld: ’Je bent wanhopig omdat je niet snapt wat er aan de hand is?’ Daarna stille afwachting voor haar reactie.
  • Aansluiten bij het emotionele element. Het kan zijn dat de cliënte niet akkoord gaat met het idee dat ze zelf bijdraagt aan haar klachten en haar ziekte als boosdoener naar voren schuift. De professional kan dat dan als een kans zien om met de cliënte een klein stapje te zetten op het gebied van verwerking. De professional kan beamen dat het zeker de ziekte is die de belastbaarheid zo onderuit haalt. Dan stilvallen en na de stilte: ’Wat is dit toch een rotziekte hè!’ De cliënte kan dan even op dit terrein blijven, zonder weer meteen terug te gaan naar de oorzaken van haar moeheid. Mogelijk verzet zij zich tegen acceptatie van haar lage belastbaarheid. Mogelijk maskeert zij sterke gevoelens van leegte en zinloosheid. Beide stagnerende rouwtaken kunnen als dodelijke vermoeidheid beleefd worden.
  • Aansluiten bij het gedragsmatige element. De professional vraagt de cliënte toestemming om samen het probleem te exploreren. Stel dat ze akkoord gaat, dan laat de professional haar vooral zelf zoeken. Ze stelt helpende vragen en luistert ondertussen ook goed naar zichzelf. Ze heeft al een hypothese, maar laat die niet leidend zijn en probeert open te luisteren. De professional laat de cliënte zelf een hypothese formuleren en neemt het alleen over als dit haar niet lukt. Ze vraagt dan eerst of het goed is als zij op basis van wat ze gehoord heeft een hypothese geeft.

Copen met coping: Het klimaat voor contact voorbereiden

Het geven van ongevraagde feedback is altijd lastig, ook in een therapeutische setting. Cliënten willen vaak wel veranderen, maar ze willen zelden of nooit veranderd worden. Professionals kunnen dus beter eerst een klimaat scheppen waarin de cliënt geïnteresseerd is in hun mening.

Als het gaat om beladen onderwerpen, kunnen mensen doorgaans pas luisteren als ze zich zelf gehoord voelen. Het gevoel van ‘gehoord zijn’ ontstaat niet als een professional alleen maar zegt ’ik begrijp je’; een cliënt moet het begrip ook voelen. De professional kan haar cliënt dat gevoel geven door een goede samenvatting te geven van de inhoud van wat gezegd wordt, en daarnaast reflecties op de emoties die ze bij haar cliënt ervaart. Het is belangrijk om deze gevoelsreflecties steeds te checken, bijvoorbeeld door de voorzichtige toon waarop ze worden gegeven; een toon die een vraag openlaat. Als de professional vervolgens toestemming vraagt om haar eigen visie te geven, is er een grote kans dat de cliënt bereid is naar haar te luisteren.

Het is lastig om ondanks langdurige contacten en gegroeide interactiepatronen steeds bewust te blijven reflecteren op de huidige situatie. De professionele relatie vraagt, in tegenstelling tot vriendschapsrelaties, om een niet-aflatende alertheid. De sleutel is ook hier: contact met jezelf. Als de zorgprofessional in haar beroepsmodus zit, vangt ze veel signalen op. Als ze hierop afstemt en zich erdoor laat sturen, sluit ze meestal als vanzelf aan bij de belevingswereld van haar cliënt

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.