Home / glossary / effectiviteit

Effectiviteit van coping

Het is lastig om algemene uitspraken te doen over de effectiviteit van coping. Wat voor de ene cliënt effectief is, hoeft dat voor de ander niet te zijn. Zo kan een cliënt die hoort dat zijn kind een progressieve spierziekte heeft in eerste instantie vermijdend reageren en doen alsof er niets aan de hand is. Dit kan effectieve coping zijn, omdat het deze cliënt de kans geeft om van de schok te herstellen. Het kan heel inadequaat lijken als deze cliënt weigert om het kind aan bepaalde revalidatiedoelen te laten werken. Voor zijn verwerking kan het echter helpend zijn als deze cliënt een gevoel van controle houdt. Als dit hem lukt door revalidatiedoelen van zijn kind te vermijden, is dat voor deze cliënt een effectieve coping strategie.

Een bepaalde coping strategie kan vanuit het perspectief van spanningsreductie effectief zijn, maar tegelijk de handelingsvrijheid belemmeren. Het is aan de cliënt om te bepalen welke van deze effecten prioriteit heeft. Zo kan het voor een cliënt veel stress schelen als hij de plaats van zijn ongeluk mijdt, terwijl dit tegelijk voor het dagelijkse functioneren beperkingen met zich mee kan brengen. Als de cliënt zelf of zijn omgeving last krijgt van deze beperkingen, is de vraag relevant of de gehanteerde coping strategie wel effectief is.

Ook de omstandigheden kunnen van invloed zijn op de vraag of een bepaalde coping strategie effectief is. Voor een cliënt die nog in het ziekenhuis ligt om te herstellen na een zeer zware bevalling kan het zeer adequaat zijn om niet aan haar gehandicapte kind te denken en zichzelf voortdurend af te leiden. Maar voor een andere cliënt kan die coping uitstel van verliesverwerking impliceren; als dat problemen gaat opleveren, is de strategie wellicht niet effectief.

Wat het effect ook is, coping is altijd gericht op een aspect van zelfbehoud en het kan verrijkend zijn om (samen) op zoek te gaan naar wat cliënten zelf met hun coping pogen te beschermen. Cliënten zetten coping strategieën in uit angst om controle te verliezen, om overspoeld te raken. Zij zijn ook vaak bang voor uitingen van emoties, zoals schreeuwen, huilen, trillen of transpireren. Deze angst kan leiden tot schaamte of onzekerheid vanwege zichtbare kwetsbaarheid. De angst kan leiden tot arrogantie (verhullen van kwetsbaarheid) of de vorm van vervreemding, omdat cliënten zichzelf niet herkennen in hun emoties.

Cliënten beseffen vaak niet dat het uiten van emoties een adequate vorm van communicatie is; dat het aangaan van emoties noodzakelijk is om ervaringen te verwerken. Zij weten niet dat het bewust beleven van emoties nodig is om bijvoorbeeld spierspanning op te heffen en dat het tonen van emoties kan bijdragen aan intimiteit. Dat het ervaren van emoties leidt tot zelfkennis, waardoor het mogelijk wordt om over behoeften en grenzen te communiceren. Veel cliënten hebben niet geleerd hoe ze emoties constructief kunnen uiten. Dat kan veel spanning veroorzaken, die ze dan door middel van coping proberen op te heffen.

Wat cliënten vaak ook proberen, is om door middel van coping het vertrouwde zelfgevoel te herwinnen. Mensen kunnen er veel voor over hebben om zich gewoon weer zichzelf te voelen en grijpen dan meer of minder bewust die coping aan, die hen kan helpen bij het heroveren van een coherent identiteitsgevoel, desnoods door middel van vermijdende coping strategieën. Neem als voorbeeld een Marokkaanse man met een dwarslaesie die weigert om rolstoel te leren rijden, omdat hij de overtuiging koestert dat Allah ervoor zal zorgen dat hij weer gaat lopen. Zijn vermijdende coping is voor hem adequaat omdat deze hem helpt om zijn religieuze beleving overeind te houden.

De flexibiliteit van coping is een belangrijke voorwaarde voor effectiviteit. Een rigide coping strategie, die onder alle omstandigheden gelijk is, zal vaak niet echt effectief zijn. Cliënten die in staat zijn coping strategieën aan te passen aan hun behoeften en noden, zullen er waarschijnlijk het meeste profijt van hebben.