Een gat in het water

De partner (man, 60 jaar) van een cliënt van mij wordt doorverwezen door de revalidatiearts voor begeleiding bij het maatschappelijk werk. Hij raakt bij mijn eerste vragen vrij snel geëmotioneerd. Hij laat zien dat er iets aan de hand is, dat hij een groot emotioneel probleem heeft. Hij geeft aan dat hij voor de eerste keer in zijn leven ruimte krijgt om “hierover” te praten, maar hij wil er tegelijkertijd liever niet over praten. De blokkades zijn waarschijnlijk te groot.

Ik probeer de mogelijke blokkades te doorbreken. Ik benoem meerdere keren de privacyregels en mijn beroepscode als maatschappelijk werker. Hij geeft aan dat het niet aan het vertrouwen in mij als werker/persoon ligt. Toch wil hij er niet over praten. Ik geef hem de ruimte om twee weken na te denken over wat hij wil.

Er volgt een gesprek twee weken later waarin ik precies dezelfde weerstand voel. Ik word onzeker en twijfel aan mezelf. Ik wil hem graag helpen, maar ik weet niet hoe. Ik vraag me af of hij bij een andere maatschappelijk werker meer van zichzelf had laten zien. Ik bied dit aan: ik vraag hem of hij zich meer op zijn gemak voelt bij een mannelijke maatschappelijk werker. Dit wil hij niet. Daar ligt het niet aan. Halverwege sluit ik het gesprek af. Ik geef hem de ruimte met mij contact op te nemen wanneer hij hier zelf klaar voor is. Ik twijfel of dit professioneel gezien correct is. Ik ben met het gevoel achtergebleven dat ik niets heb gedaan/betekend voor deze man.

Ik voel me nogal machteloos en onzeker. Ik betrek mijn vragen op mijn eigen persoon/houding. Net voor het afsluiten van het tweede gesprek raak ik zelfs geïrriteerd. Dit laat ik volgens mij niet zien.

Ik heb dit verder met niemand besproken en ik heb verder niets gedaan met mijn gevoelens. In Griekenland noemen we zo’n onmogelijke situatie ‘een gat in het water’.

Ik wil leren een meer professionele, effectieve houding, een metapositie in te nemen en me niet onzeker te voelen.


Coping cliënt

Het blijft onbekend waar deze cliënt zo emotioneel over is, maar wel is duidelijk dat hij met een dilemma kampt: wel willen praten en niet kunnen. Zijn coping ten aanzien van het dilemma is als volgt:

  • Cognitie. De cliënt lijkt het dilemma voor zichzelf aan te gaan. Hij reflecteert erop, kijkt het in de ogen. Hij reflecteert niet merkbaar op de factoren die zijn dilemma in stand houden.
  • Emotie. Hij staat zichzelf toe de pijn rond het dilemma te voelen. Hij laat zijn emoties zien.
  • Gedrag. Hij komt naar het consult met de maatschappelijk werkster en gaat in die zin het dilemma aan. Hij legt dat ook op tafel, maar hij vermijdt het helder uiteenzetten van de verschillende factoren die samen zijn dilemma vormen.

Coping professional

De professional treft een cliënt die een discrepantie laat zien in zijn coping, zowel in het cognitieve element als in het gedragselement. Cognitief lijkt er een spanning te bestaan tussen de wens om over een pijnlijk onderwerp te praten en de angst om hierover te praten. Gedragsmatig zegt hij iets met de professional te willen bespreken, hij komt daar ook voor naar het revalidatiecentrum, maar praat vervolgens toch niet.

  • Cognitie. De professional reflecteert op de emotionele blokkades die tot de cognitieve discrepantie leiden. Ze benoemt haar eigen overtuigingen: ‘Met onze privacyregels en mijn beroepscode is het hier veilig om over uw dilemma te spreken.’
  • Emotie. De professional voelt zich onzeker en machteloos. Zij ervaart irritatie, maar vraagt zich niet af welk onderliggend gevoel deze irritatie veroorzaakt. Ze voelt zich schuldig.
  • Gedrag. De professional laat zich afleiden door haar eigen interpretatie van de situatie. Ze negeert een signaal van de cliënt, namelijk dat zijn onvermogen te praten nu net een probleem is waar hij hulp bij nodig heeft. De professional distantieert zich van dit probleem door te zeggen: ‘Kom maar terug als u erover kunt praten.’

Suggesties voor alternatieve benaderingen

  • Aansluiten bij het cognitieve element. De professional geeft haar cliënt psycho-educatie over de rol die praten kan hebben bij het verwerken van moeilijke thema’s. Ze legt uit dat ervaringen die een mens bij zich houdt gemakkelijk een eigen leven gaan leiden, omdat ze niet worden getoetst aan de realiteit. Ze vraagt de cliënt of hij ergens een vertrouwenspersoon heeft die bereid is naar hem te luisteren. Als hij die niet heeft, zou de professional hem kunnen voorstellen om zijn verhaal op te schrijven, waardoor hij er van buitenaf naar kan kijken en zijn ervaringen mogelijk zo kan herdefiniëren dat ze bespreekbaar worden. De professional kan ook haar eigen coping accepteren, oordelen dat de cliënt nog niet zo ver is en besluiten dat zij goed gehandeld heeft (herdefiniëren)
  • Aansluiten bij het emotionele element. De professional vat samen wat ze ziet gebeuren bij haar cliënt; ze checkt of het klopt en geeft een gevoelsreflectie: ‘U komt bij het maatschappelijk werk omdat u met een moeilijk thema kampt. Als ik u vragen stel emotioneert u dat. Toch kunt u er niet over praten. Zie ik dat goed?’ Wanneer de cliënt dit beaamt, zegt de professional iets in de trant van: ‘Dat zal heel moeilijk voor u zijn! Ik zou graag iets voor u betekenen, kan ik iets voor u doen?’
  • Aansluiten bij het gedragsmatige element. De professional legt uit dat het heel normaal is dat de cliënt niet zomaar pats-boem met een vreemde kan spreken over iets dat zo gevoelig ligt. De professional stelt voor dat zij de komende weken kennis met elkaar maken en dat de cliënt daarbij over zijn leven vertelt. Samen kunnen ze dan inzoomen op de thema’s die voor de cliënt belangrijk zijn.

Copen met coping: Meer zijn dan je reflexen

Het komt vaak voor dat er een discrepantie is tussen cognitie en emotie. Zowel cliënten als professionals weten soms wat goed is voor de situatie, ze weten wat er nodig is, maar toch kunnen ze het emotioneel niet altijd opbrengen. Ze kunnen dan de situatie cognitief goed aan, maar emotioneel niet.

Zo kan het gebeuren dat een professional zich machteloos voelt terwijl ze best weet dat de moeilijkheid bij de cliënt ligt, die er bijvoorbeeld nog niet aan toe is om echt met een ander in gesprek te gaan. Zo kan het ook gebeuren dat een cliënt graag hulp wil, maar er toch nog niet aan toe is om die hulp ook echt te ontvangen. De professional handelt professioneel als zij met deze discrepantie zowel bij zichzelf als bij de cliënt kan omgaan.

Het eerste wat de professional kan doen, is haar eigen discrepantie signaleren en zich er enigszins van distantiëren. Dit distantiëren wordt ook wel defusion genoemd. Het is een techniek waarbij de professional als het ware naar zichzelf kijkt en constateert dat zij een bepaalde reflexreactie vertoont, maar ook dat ze meer is dan deze reflex. Wanneer de professional op deze wijze haar eigen discrepantie aanvaardt, kan ze zich volledig richten op haar cliënt en wordt het betrekkelijk eenvoudig om te constateren dat er ook bij hem een discrepantie is. Deze kan nu met begrip en mededogen bespreekbaar worden gemaakt.

De discrepantie tussen cognitie en emotie komt vaak voort uit belemmerende overtuigingen. Zo kan de overtuiging ‘begeleiden moet meer zijn dan alleen luisteren’ sterke gevoelens van machteloosheid oproepen bij de professional, terwijl de cliënt eigenlijk alleen een luisterend oor wil. Het is heel professioneel om belemmerende overtuigingen op te sporen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.