De ware Feyenoord-fan

Cliënt verkeert in de laatste fase van de ziekte ALS. Cliënt heeft de bulbaire vorm, waardoor spraak niet meer mogelijk is. Communicatie gaat schriftelijk, via communicatieapparatuur of via zijn echtgenote. Veel antwoorden op vragen worden ingevuld door de echtgenote die goedwillend is, maar ook dominant. Meestal berust hij in zijn situatie, maar dit lukt hem niet altijd. Zo nu en dan vlucht hij naar buiten, soms in een T-shirt en bewust het risico nemend een longontsteking op te lopen. Bij het aanbrengen van een PEG-sonde raakt hij meermalen in paniek en ook is hij een aantal keren opgenomen om zich te laten behandelen vanwege aanvallen van benauwdheid. Pas in de laatste dagen voor zijn dood berust hij werkelijk.

Tijdens de fysiotherapie is cliënt alleen, zonder zijn vrouw erbij. Hij vindt dat altijd fijn, zo even mannen onder elkaar. We praten tijdens het oefenen over dingen die cliënt leuk vindt, zoals Feyenoord, zodat hij niet de hele tijd met zijn problemen wordt geconfronteerd. Ik let wel op of er signalen zijn dat cliënt ergens mee zit en dan ga ik daarop in. Cliënt vindt dat prettig: zowel het praten over voetbal als het praten over wat hem dwars zit. Hij is blij zijn verhaal te kunnen vertellen en zijn emoties wat te kunnen ontladen.

Tijdens één van deze een-op-eensessies geeft cliënt aan erg veel moeite te hebben met zijn onmacht om zaken duidelijk te maken en uit te voeren. Het valt hem zwaar dat hij zo hulpeloos is en dat hij geen verandering kan aanbrengen in zijn situatie. Ik word tijdens dit gesprek gegrepen door het gevoel van hulpeloosheid en onmacht bij deze ALS-cliënt in de laatste fase van zijn ziekte. Ik zie hoe mijn cliënt heen en weer wordt geslingerd tussen berusting en strijd. Als fysiotherapeut beschik ik vooral over de meer directe behandeltechnieken en die technieken zijn niet echt gericht op het omgaan met de frustraties en angsten van cliënten.

Ik heb goed geluisterd en begrip getoond en later heb ik zijn wanhoop besproken met zijn echtgenote en ook met het team.

Wat kan ik als professional deze cliënt bieden?

Coping cliënt

De cliënt wordt heen en weer geslingerd tussen aanvaarding en verzet tegen zijn ziekte en de vermogens die hij daardoor kwijtraakt.

  • Cognitie. De cliënt ziet zijn situatie helder onder ogen. Hij weet dat hij soms heel veel moeite heeft met zijn onvermogen om te communiceren en zijn andere beperkingen. Soms heeft hij panische, catastroferende gedachten en wil hij uit de situatie ontsnappen, desnoods door de dood.
  • Emotie. Over het algemeen voelt de cliënt zich rustig. Op momenten dat hij zijn machteloosheid als te grote frustratie ervaart, kan hij door wanhoop overvallen worden. Hij laat deze gevoelens over zich heen komen.
  • Gedrag. De cliënt komt graag naar de therapie en dan praat hij open over wat er in hem omgaat. Soms raakt hij in paniek. Op zulke momenten gebeurt het ook dat hij naar buiten vlucht.

Coping professional

De professional staat voor de voor hem moeilijke situatie dat hij tijdens het gesprek met zijn cliënt wordt gegrepen door gevoelens van hulpeloosheid en onmacht.

  • Cognitie. De professional gaat de moeilijke situatie aan door zich te realiseren dat zijn behandeltechnieken hier niet adequaat zijn. Hij signaleert dat de cliënt een ander soort beroep op hem doet. De professional realiseert zich wel dat hij zijn cliënt professioneel begeleidt, maar heeft toch ergens het idee dat hij tekort schiet. Hij heeft eigenlijk onvoldoende zicht op de noden van zijn cliënt, want die verwacht niet méér van hem dan hij biedt.
  • Emotie. De professional doorleeft zijn gevoelens van onmacht niet helemaal, waardoor hij niet ontdekt dat hij vooral is aangedaan. Hij vormt het aangedaan zijn om tot het gevoel dat hij niet over de juiste technieken beschikt om zijn cliënt te helpen.
  • Gedrag. De professional handelt adequaat, door te luisteren, begrip te tonen en de wanhoop van zijn cliënt met zijn echtgenote en met het team te bespreken.

Suggesties voor alternatieve benaderingen

  • Aansluiten bij het cognitieve element. De professional herdefinieert zijn visie op zijn rol in de behandeling. Hij beseft dat de cliënt in deze fase van zijn leven meer baat heeft bij begeleiden dan bij behandelen en dat begeleiden bij zijn beroep hoort. Hij beseft dat begeleiden vooral een proces is van aansluiten bij de cliënt: van luisteren en veel stil zijn en van ruimte creëren voor de ander. Hij weet dat als zijn intentie goed is en hij met echte aandacht aanwezig is voor zijn cliënt, deze zich gesteund voelt.
  • Aansluiten bij het emotionele element. De professional geeft geen adviezen of oplossingen en vertrouwt erop dat hij in staat is uitdrukking te geven aan de wensen van zijn cliënt. De professional weet dat hij geen oplossingen heeft voor het lijden van de cliënt en dat dit bij hem onvermijdelijk gevoelens van hulpeloosheid en onmacht oproept. Hij beseft dat dit bij zijn werk hoort en dat die gevoelens op hun plek zijn. Daardoor laat de professional zich door zijn gevoelens niet van de wijs brengen. Hij voelt ze, reflecteert erop en blijft er rustig onder. Hij maakt zichzelf geen verwijten en hij weet dat een worsteling met zijn eigen gevoelens tijdens de ontmoetingen met zijn cliënt ten koste gaat van de aandacht die hij voor zijn cliënt kan opbrengen. Dankzij zijn rustige houding en zelfvertrouwen staat hij goed in contact met zichzelf en met de cliënt, waardoor hij zelfs zonder woorden kan aanvoelen wat zijn cliënt nodig heeft. Zijn zelfvertrouwen en vertrouwen in de cliënt worden door de cliënt als steunend ervaren. De cliënt voelt zich veilig bij deze professional.
  • Aansluiten bij het gedragsmatige element. De professional beseft dat de cliënt in zijn laatste levensfase is en dat hij meestal berust in zijn situatie, maar dat hij – opgesloten als hij is in zijn lichaam – zo nu en dan uitbreekt en tegen beter weten in probeert zichzelf te bevrijden. De professional begrijpt wat hem op die momenten bezielt en heeft respect voor de wijze waarop de cliënt het ziekteproces doorloopt. Hij probeert hem niet te veranderen.

Copen met coping: Helpen, maar dan anders

Een zorgprofessional beschikt naast behandelvaardigheden ook over begeleidende vaardigheden. Zoals bij verschillende medische beelden verschillende behandeltechnieken ingezet moeten worden, zo vragen verschillende emotionele toestanden ook om verschillende begeleidende vaardigheden. De professional kan per situatie proberen te ontdekken wat het meest helpend is voor een cliënt die het moeilijk heeft:

Cognitieve benadering. Een boze cliënt kan kalmerend worden benaderd door de boze uitspraken op kalme toon te spiegelen. Een angstige cliënt kan geruststellend benaderd worden door de angstige gedachten op een geruststellende toon samen te vatten en te spiegelen. Bij kalmerend of geruststellend aanwezig zijn ligt de nadruk vooral op het uitspreken van kalmerende en geruststellende woorden.

Emotionele benadering. Een verdrietige cliënt kan troostend worden benaderd. Bij troosten ligt de nadruk op stil zijn en actief luisteren, door knikken, hummen, samenvatten en het geven van gevoelsreflecties.

Gedragsmatige benadering. Bij hulpeloze en machteloze cliënten die niet in staat zijn tot handelen, kan praktische steun heel helpend zijn. Praktische steun kan bijvoorbeeld worden verleend door even iets voor iemand te regelen of te halen, of door iets in de omgeving te veranderen waardoor meer rust ontstaat.

Een professional weet dat haar eigen gevoelens in het contact met de cliënt niet echt ter zake doen. Het gaat erom dat zij de cliënt helpt zichzelf te hernemen in zijn veelheid van gevoelens. Als ze zelf rustig blijft en het vertrouwen uitstraalt dat ze controle heeft, ook als de cliënt breekt, geeft dat een gevoel van veiligheid.

Het kan erg helpend zijn als de professional duidelijk voor ogen houdt wat zij aan het doen is. Ze kan zich afvragen: ‘Wat wordt er hier van mij verwacht en kan of wil ik dat geven?’ Ze luistert en kijkt naar haar cliënt. Ze geeft niet automatisch reacties op vragen of opmerkingen, maar zoekt naar de onderliggende boodschap. Ze bepaalt steeds opnieuw hoe ze verder wil gaan met haar cliënt.

Als in de laatste fase van een progressieve ziekte het behandelen steeds meer naar de achtergrond gaat, en de begeleidingstechnieken steeds meer op de voorgrond komen, probeert een professional deze overstap bewust te maken. Door innerlijk af te ronden, schept zij voor zichzelf duidelijkheid. Bijvoorbeeld door tegen zichzelf te zeggen: ‘Oké, behandelen heeft vandaag geen zin; wat kan ik dan wel voor mijn cliënt betekenen?’

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.